ECLI:NL:CRVB:2008:BG3676
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering arbeidskundige grondslag
Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering op een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% vast te stellen. De rechtbank had het beroep in eerste aanleg grotendeels ongegrond verklaard, ondanks dat zij twijfels had bij de arbeidskundige grondslag van het besluit. In hoger beroep stelde appellant dat de functies die hem waren voorgehouden, zoals meteropnemer en inkoper, niet passend waren vanwege zijn beperkingen, waaronder schouder-, nek- en rugklachten en de noodzaak om bij kamertemperatuur te werken.
De Raad onderschreef de conclusie van de rechtbank dat appellant de functies kon vervullen, maar oordeelde dat de rechtbank had moeten erkennen dat het UWV pas in de beroepsfase alle motiveringen had gegeven. Dit had tot consequenties moeten leiden: het beroep had gegrond verklaard moeten worden, het besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
De Raad vernietigde daarom de aangevallen uitspraak en het besluit van het UWV, en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant. Tevens werd bepaald dat het griffierecht aan appellant vergoed wordt.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.