ECLI:NL:CRVB:2008:BG3658
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende onderbouwing arbeidskundige grondslag
Appellante ontving sinds december 2004 een WAO-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na onderzoek door verzekeringsarts en arbeidsdeskundige concludeerde het UWV dat zij belastbaar was voor lichte werkzaamheden met een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%, waarop de WAO-uitkering per 30 oktober 2005 werd ingetrokken.
Appellante voerde aan dat haar cognitieve beperkingen en vermoeidheid onvoldoende waren meegewogen en dat zij niet in staat was de geselecteerde functies te verrichten. De bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige bevestigden echter de eerdere conclusies, waarbij rekening was gehouden met haar medische situatie, waaronder de gevolgen van twee CVA’s.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de arbeidskundige onderbouwing pas in hoger beroep toereikend was gegeven. Daarom vernietigde de Raad de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.