ECLI:NL:CRVB:2008:BG3642

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-7401 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks bezwaar over medische beperkingen en functiebeschrijving

Appellant, voormalig technisch tekenaar, was sinds 1990 arbeidsongeschikt verklaard met een mate van 80 tot 100%. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) herzag in 2005 deze uitkering naar 25 tot 35% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze herziening ongegrond, waarbij de medische en arbeidskundige onderbouwing werd onderschreven.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat de medische grondslag onvoldoende was en dat de geselecteerde functies, met name die van acquisiteur, gezien zijn beenklachten en noodzaak tot het dragen van joggingbroeken, niet passend waren. Ook stelde hij dat het frequent autorijden in die functie medisch ongeschikt was.

De Raad oordeelde dat de medische onderzoeken van het Uwv zorgvuldig waren en dat er geen objectieve aanwijzingen waren die de beperkingen van appellant onderschreven zoals door hem gesteld. De Functionele Mogelijkheden Lijst gaf aan dat appellant voorzichtig moet zijn met wonden aan de benen en geen zware schorten mag dragen, maar er was geen medische noodzaak voor het dragen van joggingbroeken. Er waren voldoende representatieve, niet knellende kledingalternatieven beschikbaar. Tevens werd vastgesteld dat appellant in staat was om een uur achtereen te zitten en niet beperkt was in vervoer, waaronder autorijden.

Daarom faalden de bezwaren van appellant en werd het hoger beroep verworpen. De Raad zag geen reden om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

06/7401 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 december 2006, 06/515 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 5 november 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2008. Appellant is, zoals tevoren was bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met het volgende.
1.2. Na wegens rug- en vaatklachten te zijn uitgevallen voor zijn werkzaamheden als technisch tekenaar, is appellant door een rechtsvoorganger van het Uwv met ingang van 12 april 1990 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge (onder meer) de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.3. Bij besluit van 15 juni 2005, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 28 november 2005 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv die uitkering met ingang van 10 augustus 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft blijkens haar overwegingen de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.
3. Het hoger beroep keert zich - gemotiveerd - tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellant betoogt in het verlengde hiervan dat de voor hem geselecteerde functies, gelet op zijn belastbaarheid, niet voor hem geschikt zijn. Zo acht appellant zich niet in staat tot het verrichten van de werkzaamheden behorende bij de functie van acquisiteur, verkoper (SBC-code 516180). Appellant moet in deze functie namelijk klanten bezoeken, terwijl zijn beenklachten het hem onmogelijk maken een kostuum, althans nette kleren te dragen. Teneinde minder pijn te ervaren, draagt appellant bijna altijd joggingbroeken. Deze kleding is echter onvoldoende representatief, aldus appellant. Ook het aan de functie van acquisiteur verbonden veelvuldige autogebruik staat volgens appellant in de weg aan de geschiktheid in medisch opzicht van die functie, dit gelet op zijn beenklachten.
4.1. De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij, evenmin als de rechtbank, aanknopingspunten heeft om de door de verzekeringsartsen van het Uwv ingestelde medische onderzoeken niet voldoende zorgvuldig te achten en de daarop gebaseerde conclusies onjuist te achten. De Raad is van oordeel dat niet is kunnen blijken van genoegzame aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellant te kunnen volgen in diens opvatting dat zijn beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. De beschikbare medische gegevens bieden voor die opvatting van appellant geen steun. De Raad tekent nog aan dat een eventuele na 10 augustus 2005 in de gezondheidstoestand van appellant opgetreden verslechtering in dit geding niet van belang kan zijn.
4.2. De Raad is voorts van oordeel dat, mede gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, terecht door het Uwv is aangenomen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, in medisch opzicht geacht kunnen worden binnen het bereik van appellant te liggen. Appellants bezwaren met betrekking tot de functie van acquisiteur slagen niet. Uit de ten aanzien van appellant opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) blijkt weliswaar dat appellant moet oppassen voor wonden aan de benen en dat hij geen zware lichaamsschorten mag dragen; uit die lijst blijkt evenwel niet dat er voor appellant een (medische) noodzaak is om een joggingbroek te dragen. Overigens heeft de arbeidsdeskundige na overleg met de verzekeringsarts vastgesteld dat er voldoende (representatieve) niet knellende kledingalternatieven beschikbaar zijn, hetgeen de Raad aannemelijk voorkomt. Ten aanzien van de stelling dat de functie van acquisiteur voor appellant niet geschikt is te achten vanwege het autorijden, merkt de Raad nog op dat appellant blijkens de FML in staat wordt geacht een uur achtereen te zitten en niet beperkt is geacht op het aspect vervoer (waaronder autorijden).
4.3. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 november 2008.
(get.) H. Bolt
(get.) W.R. de Vries
RB