ECLI:NL:CRVB:2008:BG1689
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na intrekking WAO-uitkeringsbesluit
Appellante stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering per 21 november 2005 in te trekken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit. Tijdens het hoger beroep wijzigde het UWV zijn standpunt en nam een nieuw besluit waarbij de intrekking van de WAO-uitkering niet langer werd gehandhaafd, waardoor de uitkering bleef gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
De Raad oordeelde dat het UWV met dit nadere besluit volledig tegemoet was gekomen aan de bezwaren van appellante en hetgeen zij met het hoger beroep kon bereiken. Omdat appellante geen verzoek tot toekenning van een schadevergoeding had ingediend, ontbrak het aan een procesbelang voor het hoger beroep.
Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten voor verleende rechtsbijstand van appellante in beroep, begroot op € 644,-, en bepaalde dat het UWV de door appellante betaalde griffierechten in eerste aanleg en hoger beroep van € 143,- aan haar vergoedt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na intrekking van het bestreden besluit.