ECLI:NL:CRVB:2008:BG1091
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang bij WAO-uitkeringsbesluit
Appellante maakte bezwaar tegen een herziening van haar WAO-uitkering door het UWV, waarbij haar arbeidsongeschiktheid was verlaagd van 80% of meer naar 35-45%. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens een motiveringsgebrek, maar handhaafde de rechtsgevolgen en beval vergoeding van het griffierecht.
Het UWV nam vervolgens een nieuwe beslissing op bezwaar waarin appellante per 12 december 2006 een volledige WAO-uitkering werd toegekend en het griffierecht werd vergoed. De Raad stelde vast dat het UWV hiermee geheel tegemoet was gekomen aan de vorderingen van appellante, die dit niet betwistte.
Hoewel appellante nog aanvoerde dat de nieuwe beslissing onjuist en onvolledig was gemotiveerd, zag de Raad geen aanleiding om het hoger beroep ontvankelijk te verklaren. Volgens vaste rechtspraak is voor ontvankelijkheid vereist dat er een direct procesbelang bestaat, wat hier ontbrak. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.