ECLI:NL:CRVB:2008:BG1007
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen spaargeld
Appellant ontving vanaf 10 juli 1997 bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van gegevens over een bankrekening met spaargeld werd een onderzoek ingesteld. Het College trok de bijstand over de periode van 10 juli 1997 tot en met 13 mei 1998 in en vorderde de kosten van bijstand terug wegens het niet opgeven van spaargeld.
De Commissie bezwaarschriften adviseerde het College het besluit in te trekken, mede vanwege strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Het College wees dit advies af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit.
In hoger beroep stelde appellant dat het College zonder nadere motivering van het advies was afgeweken en dat hij niet wist van de vermogensgrens. De Raad oordeelde dat het College voldoende had gemotiveerd en dat appellant gedurende de periode beschikte over een vermogen boven de geldende grens, waardoor hij geen recht had op bijstand. Het niet melden van het spaargeld vormde een schending van de inlichtingenplicht.
De Raad bevestigde dat het College bevoegd was de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen. Er was geen sprake van verjaring of beleidsregels die de terugvordering beperkten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.