ECLI:NL:CRVB:2008:BG0320
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft de WAO-uitkering van verzoekster ingetrokken met ingang van 1 november 2005, omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen. Verzoekster stelde dat zij door deze intrekking in een financiële noodsituatie was gekomen en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat hoewel de WAO-uitkering van de partner van verzoekster onvoldoende is om in de kosten van levensonderhoud te voorzien, verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zelf in een onhoudbare financiële noodsituatie is geraakt. Zij heeft onvoldoende aangetoond dat zij of haar partner aanspraak hebben gemaakt op aanvullende bijstand of toeslagen.
Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De voorzieningenrechter zag ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt dat het ontbreken van een onhoudbare financiële noodsituatie een reden is om een voorlopige voorziening te weigeren in hoger beroep tegen intrekking van een WAO-uitkering.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat geen onhoudbare financiële noodsituatie is aangetoond.