ECLI:NL:CRVB:2008:BF9492
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking van haar WAO-uitkering door het UWV, omdat zij van mening was dat haar medische beperkingen, waaronder pols-, schouder-, rug- en depressieve klachten, niet juist waren weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst. Zij stelde dat zij vanwege het carpaal tunnel syndroom aan haar linkerhand slechts rechtshandige werkzaamheden kon verrichten, waardoor de voorgestelde functies niet geschikt zouden zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde vast dat de verzekeringsartsen de medische beperkingen van appellante niet te gering hadden vastgesteld en dat zij rekening hadden gehouden met haar klachten. Er was geen nieuwe informatie die aanleiding gaf om aan de bevindingen van de verzekeringsartsen te twijfelen.
De Raad concludeerde dat de medische beperkingen van appellante niet waren onderschat en dat de voorgestelde functies medisch geschikt waren. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat de medische beperkingen correct zijn vastgesteld en appellante geschikt is voor de voorgestelde functies.