ECLI:NL:CRVB:2008:BF9016
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dagloon bij WW-uitkering en toepassing overgangsregeling vakantiebijslag
In deze zaak staat de vaststelling van het dagloon voor de berekening van een WW-uitkering centraal, waarbij de vraag is of de opgebouwde vakantiebijslag moet worden meegenomen of het daadwerkelijk uitbetaalde bedrag bepalend is.
De rechtbank Breda had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) vernietigd omdat volgens haar de opgebouwde vakantiebijslag over de periode september tot en met december 2005 niet was meegenomen, terwijl artikel 3 van Pro het Besluit dagloonregels dit vereist. De rechtbank vond dat de overgangsbepaling in artikel 24 lid 2 van Pro het Besluit geen ruimte liet om alleen het uitbetaalde bedrag te hanteren.
De Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak en verklaart het beroep van betrokkene ongegrond. De Raad stelt dat artikel 24 lid 2 van Pro het Besluit van toepassing is op alle aangiftetijdvakken in refertejaren vóór 1 januari 2007 en dat in die gevallen het dagloon wordt berekend op basis van het feitelijk uitbetaalde loon, inclusief vakantiebijslag. Het feit dat de uitbetaalde vakantiebijslag lager is dan de opgebouwde vakantiebijslag, geeft geen grond om hiervan af te wijken, omdat het Besluit geen afwijkingsmogelijkheid biedt en het ontbreken daarvan geen kennelijke omissie vormt.
De Raad concludeert dat het UWV terecht is uitgegaan van het uitbetaalde bedrag aan vakantiebijslag bij de dagloonberekening en dat het beroep van betrokkene daarom faalt.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.