ECLI:NL:CRVB:2008:BF8817
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAZ-uitkering wegens minder dan 25% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om een WAZ-uitkering toe te kennen, omdat hij volgens het UWV minder dan 25% arbeidsongeschikt was na afloop van de wachttijd. De rechtbank Utrecht heeft het beroep ongegrond verklaard, waarbij zij het oordeel van de onafhankelijke deskundige, psychiater prof. dr. E. Hoencamp, volgde. Hoencamp concludeerde dat appellant in staat is de geselecteerde functies te vervullen en dat er geen aanwijzingen zijn voor een duurbeperking.
In hoger beroep betoogt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de belastbaarheid niet wordt overschreden en dat Hoencamp niet duidelijk heeft gemaakt of een duurbeperking van toepassing is. Ook stelt appellant dat zijn medische beperkingen onderschat zijn, waardoor de geselecteerde functies mogelijk niet passend zijn.
De Raad overweegt dat het oordeel van Hoencamp doorslaggevend is en dat appellant geen nieuwe informatie heeft aangevoerd die dit oordeel ondermijnt. Uit de rapportages blijkt geen reden voor een duurbeperking. Ook andere medische rapporten ondersteunen dit standpunt. De behandelend psychiater Jessurun's mening dat appellant volledig arbeidsongeschikt zou zijn, is onvoldoende onderbouwd en weegt niet op tegen de bevindingen van Hoencamp.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank dat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt is en dat de WAZ-uitkering terecht is geweigerd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAZ-uitkering omdat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt is.