ECLI:NL:CRVB:2008:BF8085
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering bij geschiktheid voor functie lederwarenmaker
Appellant ontving een WAO-uitkering die in 2005 werd herzien van 80-100% naar 45-55% arbeidsongeschiktheid, gebaseerd op beperkingen vanwege nek-, rug- en knieklachten en de geschiktheid voor functies zoals lederwarenmaker. Vanaf oktober 2005 meldde appellant zich ziek wegens knieklachten en onderging in januari 2006 een meniscusoperatie. Een verzekeringsarts concludeerde in april 2006 dat er geen aanleiding was de beperkingen te wijzigen en dat appellant de functie van lederwarenmaker kon vervullen. Het UWV beëindigde daarop de Ziektewetuitkering per 12 april 2006.
Appellant voerde bezwaar aan met verwijzing naar neurologische klachten en een mogelijke discusprobleem, maar een bezwaarverzekeringsarts constateerde slechts geringe afwijkingen en geen neurologische uitval. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep stelde appellant dat ook andere functies geschikt moesten worden geacht en dat de functie lederwarenmaker een rugbelastende functie zou zijn. De Raad overwoog dat onder “zijn arbeid” de functies vallen die in het kader van de WAO-beoordeling zijn geselecteerd en dat de functie lederwarenmaker geen zware rugbelasting kent.
De Raad concludeerde dat het UWV-besluit gebaseerd is op zorgvuldig medisch onderzoek en dat de beperkingen niet waren toegenomen ten opzichte van de Functionele Mogelijkhedenlijst van november 2004. De Raad verwierp het beroep van appellant en bevestigde de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 12 april 2006.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering omdat appellant geschikt is voor de functie van lederwarenmaker.