ECLI:NL:CRVB:2008:BF7087
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering AOW-pensioen wegens onvoldoende bewijs ingezetenschap of verzekering
Appellant verzocht in april 2003 om toekenning van een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), stellende dat hij in de jaren 1967-1971 in Nederland heeft gewoond en gewerkt. De Sociale verzekeringsbank (Svb) onderzocht deze beweringen en vroeg informatie op bij het pensioenfonds en diverse gemeenten. Deze instanties konden geen gegevens vinden die het verblijf of de werkzaamheden van appellant in Nederland bevestigen.
De Svb weigerde daarom op 20 juli 2004 het AOW-pensioen toe te kennen, en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank onderschreef dit standpunt. In hoger beroep stelde appellant opnieuw dat hij in Rotterdam heeft gewoond, maar ook na nadere informatie-inwinning bij gemeenten en het pensioenfonds kon geen bewijs worden gevonden dat appellant verzekerd was geweest of loonbelasting had betaald.
De Raad overwoog dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ingezetene was of hier werkte in de zin van de AOW. Er zijn geen gegevens die het centrum van zijn maatschappelijke leven in Nederland bevestigen. Daarom kon het hoger beroep niet slagen en werd de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad wees ook een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het AOW-pensioen wordt bevestigd.