ECLI:NL:CRVB:2008:BF7042
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering AOW-uitkering wegens onvoldoende bewijs ingezetenschap en arbeid in Nederland
Appellant vroeg in mei 2001 een AOW-ouderdomspensioen aan en stelde dat hij tussen 1970 en 1974 in Nederland had gewoond en gewerkt. De Sociale verzekeringsbank (Svb) onderzocht dit en vond geen bewijs van inschrijving in bevolkingsregisters of van arbeidsrelaties die loonbelastingplichtig waren. Diverse gemeenten en bedrijven verklaarden dat appellant niet bekend was als ingezetene of werknemer.
De rechtbank Amsterdam wees het bezwaar van appellant tegen de weigering van de AOW-uitkering af. In hoger beroep stelde appellant getuigenverklaringen overgelegd te hebben die zijn verblijf in Nederland bevestigen, maar deze verklaringen bevatten geen concrete aanwijzingen van werkzaamheden of inschrijving. De Raad concludeerde dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij verzekerd was op grond van de AOW.
De Raad vond geen aanleiding tot nader onderzoek en kende geen proceskostenvergoeding toe. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Appellant kan binnen zes weken cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de AOW-uitkering bevestigd.