ECLI:NL:CRVB:2008:BF6711
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld na ziekmelding vanuit WW-situatie
Appellant werd wegens schouderklachten arbeidsongeschikt verklaard, maar na een periode van WAO en aangepast werk ontving hij vanaf oktober 2004 een werkloosheidsuitkering. Vanaf januari 2006 meldde hij zich ziek met toegenomen klachten. Een verzekeringsarts stelde echter vast dat zijn beperkingen niet waren toegenomen en verklaarde hem hersteld per 6 maart 2006. Het UWV besloot daarom het ziekengeld stop te zetten.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens een motiveringsgebrek, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat appellant volgens verzekeringsartsen geen toegenomen beperkingen had en geschikt was voor het werk als medewerker prefabteam. Appellant ging in hoger beroep tegen dit oordeel.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de maatstaf voor arbeid de laatst verrichte arbeid is, ook bij ziekmelding vanuit een WW-situatie. Omdat appellant zich ziek meldde vanuit een WW-uitkering die hij ontleende aan het werk als medewerker prefabteam, was dit de juiste maatstaf. De Raad bevestigde dat appellant met ingang van 6 maart 2006 terecht niet langer ongeschikt werd geacht en dat het besluit tot weigering van ziekengeld terecht was. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant terecht geen recht meer had op ziekengeld vanaf 6 maart 2006.