ECLI:NL:CRVB:2008:BF5885
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing gelijkstelling huisarrest tijdens Japanse bezetting met vervolging
Appellant, geboren in 1940 in voormalig Nederlands-Indië, vroeg een periodieke uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, stellende dat zijn gezin feitelijk onder huisarrest stond vanwege Japanse bewaking tijdens de bezetting. De aanvraag werd afgewezen omdat appellant niet was opgesloten op grond van ras, geloof of Europese afkomst in een verblijfplaats met permanente bewaking, zoals vereist door de Wet.
In beroep voerde appellant aan dat zijn familie zwaar had geleden onder de bezetting, met onder meer gevangenschap en mishandeling van zijn vader. Hij overhandigde een verklaring van een voormalige huisbediende over het huisarrest. De Raad concludeerde echter dat het feitelijk huisarrest niet gelijkgesteld kan worden met vrijheidsberoving in de zin van artikel 2 van Pro de Wet, mede vanwege de nog bestaande bewegingsvrijheid.
De Raad vond geen aanwijzingen in beschikbare bronnen die het standpunt van appellant ondersteunen en oordeelde dat de omstandigheden niet vergelijkbaar zijn met vervolging. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het feitelijk huisarrest niet gelijkgesteld kan worden met vrijheidsberoving in de zin van de Wet.