ECLI:NL:CRVB:2008:BF4720
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht en feitelijk woonadres
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam stelde na onderzoek vast dat appellant sinds 27 december 2004 niet meer woonachtig was op het door hem opgegeven adres. Dit werd onderbouwd met een handgeschreven en door appellant ondertekende verklaring, huisbezoeken en een rapport waarin een buurtbewoonster verklaarde dat appellant al anderhalf jaar niet op het opgegeven adres woonde.
Het College blokkeerde vervolgens de bijstand per 10 augustus 2005 en trok deze per 13 september 2005 in wegens schending van de inlichtingenplicht en medewerkingsplicht. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard en het beroep bij de rechtbank werd deels ongegrond verklaard en deels niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verklaring van appellant een juiste weergave was van het gesprek en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij slechts tijdelijk bij zijn vriendin verbleef. De Raad bevestigde dat appellant vanaf 27 december 2004 niet woonachtig was op het opgegeven adres en daarmee zijn inlichtingenplicht schond. Hierdoor kon het recht op bijstand over die periode niet worden vastgesteld en was het College bevoegd de bijstand in te trekken.
De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover het betrekking had op de blokkering van de uitkering en bevestigde de rest van de uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenplicht en feitelijk niet woonachtig zijn op het opgegeven adres wordt bevestigd.