ECLI:NL:CRVB:2008:BF3688

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-65 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Dagloonregelen WAOWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering herziening WAO-dagloon met terugwerkende kracht onterecht verklaard

Appellant verzocht om herziening van zijn WAO-dagloon met terugwerkende kracht, waarbij hij vergoeding voor auto-, telefoon- en abonnementskosten wilde laten meenemen. Het UWV wees dit verzoek af en handhaafde deze afwijzing op bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad overwoog dat voor terugwerkende kracht nieuwe feiten of veranderde omstandigheden moeten zijn die een herziening rechtvaardigen. Voor de periode voorafgaand aan het verzoek was hiervan geen sprake. Voor de periode na het verzoek tot het einde van de WAO-uitkering kon appellant onvoldoende aantonen dat hij vergoedingen voor abonnementen ontving. De vergoeding voor auto- en telefoonkosten kon volgens de dagloonregelen WAO niet worden meegeteld omdat de uitkering vóór 17 oktober 1982 was ingegaan.

De Raad vernietigde het bestreden besluit en verklaarde het beroep gegrond, met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens bepaalde de Raad dat het UWV het betaalde griffierecht aan appellant vergoedt.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van herziening van het WAO-dagloon wordt vernietigd.

Uitspraak

08/65 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 29 november 2007, kenmerk 07/341 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 11 september 2008.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 28 augustus 2008, waar partijen met voorafgaand schriftelijk bericht niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
1.2. Bij besluit van 22 april 1976 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv appellant medegedeeld dat hij vanaf 24 maart 1976 recht heeft op een uitkering ingevolge de WAO, waarbij het dagloon is vastgesteld op f 125,00. In dit besluit heeft appellant berust.
1.3. Op 19 januari 2006 heeft appellant verzocht om de vergoeding voor de auto-, telefoon- en abonnementskosten mee te nemen in zijn WAO-uitkering. Bij besluit van
22 september 2006 heeft het Uwv het verzoek van appellant om zijn dagloon te herzien afgewezen, welke afwijzing bij besluit op bezwaar van 7 maart 2007 is gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de rechtbank terecht de weigering van het Uwv om het WAO-dagloon met terugwerkende kracht te verhogen in stand heeft gelaten.
4.2. Ingevolge de vaste rechtspraak van de Raad (verwezen wordt naar onder meer
CRvB 6 november 2003, JB 2004/29) mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.De (kennelijke) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit speelt op zichzelf geen beslissende rol (CRvB 4 december 2003, JB 2004/32).In gevallen als het onderhavige, waarin een duuraanspraak in het geding is, is het echter aangewezen bij de toetsing een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst (CRvB 24 december 2003, RSV 2004/90). Wat betreft de periode voorafgaande aan de nieuwe aanvraag, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna zal het in beginsel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is immers voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.
4.3. Gelet op het bovenstaande is de Raad van oordeel dat ten aanzien van de aan het verzoek om herziening voorafgaande periode niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin.
4.4. Ten aanzien van de periode na het herzieningsverzoek tot 1 maart 2006, het moment waarop de WAO-uitkering van appellant is beëindigd in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van appellant, is de Raad van oordeel dat appellant onvoldoende concreet heeft aangetoond welke vergoeding hij heeft ontvangen ter zake van abonnementen.
Met betrekking tot de vergoeding van de autokosten en de telefoonkosten, in welk verband appellant een beroep heeft gedaan op de uitspraak van de Raad van 31 december 1984, gepubliceerd in AB 1985, 348 (LJN: AM8293) is de Raad van oordeel dat deze loonbestanddelen gelet op artikel 1, derde lid, onder l, van dagloonregelen WAO alsmede gelet op het gegeven dat de WAO-uitkering van appellant is ingegaan vóór 17 oktober 1982, niet in de dagloonberekening van appellant worden meegeteld.
4.5. Dit brengt de Raad tot de beslissing dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan worden gelaten en dat, doende wat de rechtbank had behoren te doen, het beroep van appellant alsnog gegrond dient te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd, met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand dienen te worden gelaten.
4.6. De Raad is niet gebleken van kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 7 maart 2007;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 145,-- aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 september 2008.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.B.E. van Nimwegen.
OA