ECLI:NL:CRVB:2008:BF3249
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering medische grondslag
Appellant, arbeidsongeschikt verklaard met een WAO-uitkering van 80-100%, werd herbeoordeeld door het UWV, dat de uitkering per 3 november 2005 introk wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de medische en arbeidskundige onderbouwing volgens haar voldoende was. Appellant stelde in hoger beroep dat de intrekking onzorgvuldig was, onder meer omdat hij nog geen cognitieve gedragstherapie had gevolgd en bijwerkingen van medicatie niet waren meegenomen.
De Raad overwoog dat het advies voor therapie niet als bindende voorwaarde gold en dat de verzekeringsarts dit advies voldoende had meegewogen. De bijwerkingen van medicatie werden later in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) verwerkt. De Raad vond de medische grondslag niet onjuist, maar oordeelde dat de toelichting op de arbeidskundige signaleringen pas na het bestreden besluit volledig was, waardoor het besluit onvoldoende gemotiveerd was.
De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit, verklaarde het beroep gegrond, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit ongewijzigd. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.