ECLI:NL:CRVB:2008:BF2699
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAZ-uitkering na overschrijding maximale anticumulatie-termijn
Appellante, die samen met haar echtgenoot een drogisterij/slijterij exploiteerde, ontving vanaf 1997 een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAZ. Na een herbeoordeling in 2003 concludeerden deskundigen dat zij geschikt was voor haar eigen werk, waarna het UWV haar uitkering introk per 1 december 2003.
Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, onder meer omdat het UWV volgens haar ten onrechte toepassing gaf aan artikel 58 van Pro de WAZ over de jaren 1999 en 2000, terwijl de maximale anticumulatie-termijn van drie jaar reeds was overschreden. Het UWV handhaafde haar besluiten en stelde dat de uitkering met ingang van 28 februari 2000 beëindigd had moeten worden, maar dit pas in 2003 formeel was geëffectueerd.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens procedurele tekortkomingen, maar liet de rechtsgevolgen in stand. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het UWV terecht de uitkering introk omdat de maximale termijn van drie jaar anticumulatie was verstreken. Ook werd geoordeeld dat appellante niet in een financieel nadeligere positie was gebracht en dat het UWV niet in strijd had gehandeld met de Awb.
De Raad concludeerde dat de intrekking van de uitkering per 1 december 2003 rechtmatig was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevochten.
Uitkomst: De intrekking van de WAZ-uitkering per 1 december 2003 wordt bevestigd wegens overschrijding van de maximale anticumulatie-termijn.