ECLI:NL:CRVB:2008:BF1937

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2738 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • K. Zeilemaker
  • J.Th. Wolleswinkel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:10 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:10 AwbArt. 7:13 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens niet tijdig nieuw besluit op bezwaar

Appellante was administratief medewerkster bij Industriële Diensten van een bedrijf en werd boventallig verklaard bij besluit van 20 mei 2005. Zij maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 20 januari 2006 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Arnhem vernietigde dit besluit en gaf opdracht tot een nieuw besluit op bezwaar. Appellante stelde vervolgens beroep in tegen het niet tijdig nemen van dit nieuwe besluit.

Het dagelijks bestuur nam uiteindelijk op 7 september 2006 alsnog een nieuw besluit op bezwaar, maar appellante had haar beroepschrift bij de rechtbank pas na de beslistermijn van zes weken ingediend. De rechtbank verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk, uitgaande van een beslistermijn van tien weken vanwege een veronderstelde adviescommissie.

De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat geen adviescommissie was ingeschakeld, waardoor de beslistermijn zes weken bedroeg. Omdat het beroepschrift na deze termijn was ingediend, was de niet-ontvankelijkverklaring terecht. Wel oordeelde de Raad dat het dagelijks bestuur de proceskosten van appellante in hoger beroep moest vergoeden, en vernietigde de uitspraak voor zover geen proceskostenveroordeling was uitgesproken. De Raad deed de zaak zelf af en veroordeelde het dagelijks bestuur tot betaling van in totaal €241,50 aan proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard en het dagelijks bestuur is veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

07/2738 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 mei 2007, 06/4202 en 06/4951 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het Dagelijks Bestuur van [naam bedrijven] (hierna: dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 18 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven de behandeling van het geding ter zitting achterwege te laten.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante was werkzaam als administratief medewerkster bij het bedrijf Industriële Diensten van [naam bedrijven].
1.2. Bij besluit van 20 mei 2005 heeft het dagelijks bestuur appellante boventallig verklaard en haar medegedeeld dat een traject van arbeidsbemiddeling zal worden ingegaan om een functie buiten [naam bedrijven] voor haar te vinden.
Bij besluit van 20 januari 2006 heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 mei 2005 ongegrond verklaard.
1.3. Bij uitspraak van 28 juni 2006, 06/212 en 06/772, heeft de rechtbank Arnhem, voor zover hier van belang, het beroep van appellante tegen het besluit van 20 januari 2006 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het dagelijks bestuur opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak.
1.4. Bij brief van 11 augustus 2006 heeft appellante beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het volgens haar niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar in de zin van artikel 6:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), als waartoe de rechtbank in haar uitspraak van 28 juni 2006 opdracht had gegeven.
1.5. Op 7 september 2006 heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 mei 2005 opnieuw ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat in dit geval een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van Pro de Awb is ingesteld zodat het dagelijks bestuur, gelet op artikel 7:10, eerste lid, van de Awb, uiterlijk op 6 september 2006 een nieuw besluit op bezwaar diende te nemen. Nu het beroepschrift op 11 augustus 2006 is ingediend, heeft deze indiening voortijdig plaatsgevonden. Voorts ontbraken naar het oordeel van de rechtbank omstandigheden als in het eerste lid van artikel 6:10 van Pro de Awb onder a en b vermeld.
Verder heeft de rechtbank het beroep voor zover dit geacht werd te zijn gericht tegen het besluit van 7 september 2006, gegrond verklaard en dit besluit vernietigd met de opdracht tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar.
3. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de in de aangevallen uitspraak vervatte niet-ontvankelijkverklaring. Dienaangaande is aangevoerd dat niet is gebleken dat in dit geval een adviescommissie was ingeschakeld zodat de beslistermijn, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, geen tien maar zes weken bedroeg.
4.1. De Raad overweegt dat het dagelijks bestuur hem desgevraagd heeft bericht dat ten behoeve van het nemen van het (nieuwe) besluit op bezwaar van 7 september 2006 geen gebruik is gemaakt van een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van Pro de Awb. Dit brengt mee dat volgens het hier toepasselijk te achten artikel 7:10, eerste lid, van de Awb dient te worden uitgegaan van een beslistermijn van zes weken vanaf 28 juni 2006, de datum waarop de uitspraak van de rechtbank van diezelfde datum is verzonden. Dit betekent dat het dagelijks bestuur uiterlijk op 9 augustus 2006 een nieuw besluit op bezwaar had dienen te nemen. Nu dit niet is gebeurd en appellante pas na deze datum haar beroepschrift bij de rechtbank heeft ingediend, moet de conclusie zijn dat de rechtbank dit beroep op onjuiste grond niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.2. De niet-ontvankelijkverklaring als zodanig is echter wel terecht. Appellante had immers geen belang meer bij een oordeel over haar beroep tegen het uitblijven van een besluit nu het dagelijks bestuur op 7 september 2006 alsnog opnieuw op het bezwaar heeft beslist en dit besluit onderdeel uitmaakte van het geding bij de rechtbank. Aangezien voormeld beroep zoals is overwogen in 4.1 terecht was ingesteld, had de rechtbank op dit punt een proceskostenveroordeling moeten uitspreken. Nu dit niet is gebeurd, dient de aangevallen uitspraak in zoverre te worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding de zaak zonder terugwijzing naar de rechtbank zelf af te doen. De voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten zijn beperkt tot de kosten van verleende rechtsbijstand ter zake van het indienen van een beroepschrift. Aan het instellen van beroep bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit kent de Raad de wegingsfactor “zeer licht” (0,25) toe. Dit leidt tot een veroordeling van het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag van
0,25 x € 322,- = € 80,50.
4.3. De Raad acht termen aanwezig het dagelijks bestuur met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten betreffen de verleende rechtsbijstand inzake het instellen van dit hoger beroep. De Raad hanteert de wegingsfactor “licht” (0,5). De te vergoeden proceskosten in hoger beroep bedragen 0,5 x € 322,- = € 161,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij geen proceskostenveroordeling is uitgesproken ten aanzien van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar;
Veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 241,50, te betalen door [naam bedrijven];
Bepaalt dat [naam bedrijven] aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van € 214,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en J.Th. Wolleswinkel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 september 2008.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) M.B. de Gooijer.
HD