ECLI:NL:CRVB:2008:BF1428
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als huishoudelijk medewerkster, viel in juli 1999 uit wegens polsklachten en ontving vanaf juli 2000 een WAO-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Het UWV trok deze uitkering in februari 2005 in, omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou zijn. De rechtbank vernietigde dit besluit vanwege een procedureel gebrek, maar liet de inhoudelijke motivering in stand.
In hoger beroep betoogde appellante dat het UWV onvoldoende en niet volgens de strengere eisen van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) had gemotiveerd en bracht zij medische en arbeidskundige bezwaren naar voren. De Raad oordeelde echter dat de medische informatie geen aanleiding gaf tot twijfel aan de juistheid van het besluit en dat de motivering omtrent de geschiktheid van functies op basis van het CBBS toereikend was.
De Raad wees op de juiste toepassing van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, waarbij functies met voldoende arbeidsplaatsen zijn meegenomen. De stelling dat de functies onvoldoende representatief waren, werd verworpen. De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante wegens het ontbreken van een toereikende motivering in eerste aanleg.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd en het hoger beroep van appellante wordt afgewezen.