ECLI:NL:CRVB:2008:BF1427
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering en geschiktheid functies bij huidaandoening en allergie
Het UWV trok de WAO-uitkering van betrokkene in omdat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot onder de 15%. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en oordeelde dat het UWV nader onderzoek moest doen naar de geschiktheid van de functies, mede vanwege betrokkene's allergie en huidaandoening en de vraag of zij handschoenen kan dragen.
In hoger beroep stelde het UWV dat de functies geen contact met allergenen vereisen en dat betrokkene wel katoenen handschoenen kan dragen. De Raad oordeelde dat het UWV het recht had om te reageren op de nieuwe stelling van betrokkene over het niet kunnen dragen van handschoenen, maar zag geen gevolgen aan het ontbreken van die mogelijkheid.
De Raad vond dat het UWV voldoende had toegelicht dat de geduide functies geschikt zijn, behalve voor de functie van wasserijmedewerker. De Raad stelde vast dat de rapportages onvoldoende motivering bevatten waarom deze functie geschikt zou zijn, vooral vanwege hittebelasting die betrokkene niet kan verdragen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank met verbeterde gronden en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene in hoger beroep.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd met de verplichting voor het UWV om een nieuw besluit op bezwaar te nemen en proceskosten te vergoeden.