ECLI:NL:CRVB:2008:BF1234
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was het niet eens met het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering in te trekken omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische en arbeidskundige onderbouwing van het besluit standhielden.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij haar rechterhand en pols niet gedurende een volledige werkdag kon gebruiken, wat volgens haar de geschiktheid voor de voorgehouden functies uitsloot. De Raad oordeelde echter dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) dit niet ondersteunden. Ook de arbeidskundige rapporten boden voldoende grondslag voor het oordeel dat de functies binnen haar mogelijkheden lagen.
Desondanks vernietigde de Raad het bestreden besluit wegens strijd met de Awb omdat de arbeidskundige onderbouwing pas in beroep en hoger beroep toereikend was. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.