ECLI:NL:CRVB:2008:BF0925
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.J.W. Schoor
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen WAO-uitkeringsbesluit en proceskostenvergoeding
Appellant, een steigerbouwer die sinds 1998 arbeidsongeschikt is wegens rugklachten, kreeg een WAO-uitkering toegekend die in de loop der jaren werd herzien op basis van medische onderzoeken en arbeidskundig onderzoek. In 2005 werd zijn uitkering ingetrokken vanwege een berekend verlies aan verdienvermogen van 13,48%, maar hiertegen werd bezwaar gemaakt.
De Raad beoordeelde het nieuwe besluit van 21 augustus 2007, waarin de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 25 tot 35%, en oordeelde dat dit besluit op een voldoende medische grondslag berust. De Raad verwierp de stelling van appellant dat een toename van klachten door een re-integratietraject onvoldoende was meegewogen, omdat dit niet medisch onderbouwd was.
De rechtbank had het beroep tegen het eerdere besluit van 4 oktober 2006 niet-ontvankelijk verklaard en het besluit in stand gelaten, ondanks dat het pas ter zitting van een deugdelijke motivering was voorzien. De Raad vernietigde dit deel van de uitspraak omdat het nieuwe besluit gunstiger was voor appellant. De Raad bevestigde de afwijzing van de proceskostenvergoeding voor het rapport van mevrouw Verhage, omdat dit geen medisch deskundigenrapport betrof.
Tenslotte veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellant in hoger beroep en bepaalde dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed. Het beroep tegen het besluit van 21 augustus 2007 werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 21 augustus 2007 wordt ongegrond verklaard, het deel van de uitspraak dat het besluit van 4 oktober 2006 in stand laat wordt vernietigd en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.