ECLI:NL:CRVB:2008:BF0809

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-12 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ziekengeld na beoordeling belastbaarheid assistent caravanpark

Appellant meldde zich op 10 augustus 2004 ziek vanwege rugklachten en ontving vanaf 23 augustus 2004 ziekengeld. Diverse medische onderzoeken, waaronder door artsen Weiner en Alsafar, concludeerden dat appellant vanaf 5 september 2005 geschikt was voor zijn laatstelijk verrichte arbeid als assistent caravanpark. Het UWV beëindigde daarom het ziekengeld per die datum.

Appellant voerde in bezwaar en hoger beroep aan dat zijn beperkingen werden onderschat en overhandigde medische informatie over een operatieve ingreep en degeneratieve afwijkingen. Hij verzocht tevens om benoeming van een deskundige. De rechtbank en de Raad oordeelden dat de belastbaarheid juist was vastgesteld, mede omdat de werkzaamheden rugsparend waren en de medische gegevens geen nieuwe inzichten boden.

De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat appellant op de datum in geschil in staat was zijn arbeid te verrichten en wees het beroep af. Er was geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige en geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld per 5 september 2005 wordt bevestigd.

Uitspraak

07/12 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 november 2006, 06/1267 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2008. Appellant en mr. De Jong zijn met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J. Hut.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant was werkzaam als assistent caravanpark voor 40 uur per week en is op
8 augustus 2003 uitgevallen voor deze werkzaamheden. Appellant heeft tot 26 februari 2004 ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen en heeft vervolgens een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontvangen.
2.1. Vanuit deze situatie heeft appellant zich op 10 augustus 2004 ziek gemeld met rugklachten ten gevolge van een botonsteking. Bij besluit van 6 oktober 2004 is aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 23 augustus 2004 recht heeft op ziekengeld.
2.2. Vervolgens is appellant verschillende keren onderzocht door de arts A. Weiner, die in november 2004 inlichtingen heeft opgevraagd bij de behandelend artsen van appellant. Op 30 augustus 2005 is hij onderzocht door de arts H. Alsafar die op grond van zijn bevindingen en de gegevens van orthopedisch chirurg F.C. Öner, psycholoog Y. Poslavsky en huisarts uiteindelijk tot de conclusie is gekomen dat appellant met ingang van 5 september 2005 geschikt is voor zijn laatstelijk verrichte arbeid als assistent caravanpark.
2.3. Bij besluit van 31 augustus 2005 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat met ingang van 5 september 2005 geen recht (meer) bestaat op ziekengeld, omdat hij per die datum niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt is voor het verrichten van zijn arbeid.
2.4. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts
C.J. van der Valk onderschrijft in haar rapport van 30 januari 2006, na dossierstudie en spreekuuronderzoek, de conclusies van de verzekeringsarts. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 31 januari 2006 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
3. In de beroepsfase heeft appellant een huisartsenjournaal overgelegd met informatie van de St. Maartenskliniek van 23 juni 2006 waarin is vermeld dat de discus L5-S1 zwaar degeneratief is.
4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank verwijst naar bezwaarverzekeringsarts Van der Valk die in haar rapport van 22 augustus 2006 heeft aangegeven dat nu een betere verklaring voor de veelheid van klachten is gevonden dit niet betekent dat appellant hiermee geen rugsparend werk, zoals zijn eigen arbeid, zou kunnen verrichten.
5.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de bezwaarverzekeringsarts zijn beperkingen in relatie tot zijn werkzaamheden als assistent caravanpark te licht heeft ingeschat, dat op 20 oktober 2006 in de St. Maartenskliniek een operatieve spondylodese is uitgevoerd en dat de geconstateerde slijtage niet alleen de pijnklachten verklaart maar ook duidelijk maakt waarom appellant zijn arbeid niet kon verrichten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant op 16 juli 2008 een aanvulling van het huisartsenjournaal overgelegd met informatie van de St. Maartenskliniek van 7 november 2006. Appellant verzoekt de Raad om een deskundige te benoemen.
5.2. Bij brief van 28 juli 2008 heeft het Uwv gereageerd op de nader ingezonden stukken.
6.1. De Raad overweegt als volgt.
6.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.
6.3. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van Pro de ZW worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Bovendien geldt dat bij ziekmelding uit de WW in beginsel de laatstelijk voor het ontslag verrichte werkzaamheden als maatstaf arbeid dienen te worden aangehouden. Dit betekent dat bij de beoordeling van de vraag of appellant ongeschikt is voor het verrichten van zijn arbeid de functie van assistent caravanpark voor 40 uur per week als maatstaf geldt.
6.4. De Raad ziet in de gronden aangevoerd in hoger beroep geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank en verenigt zich met de overwegingen in de aangevallen uitspraak. De in hoger beroep overgelegde informatie van de St. Maartenskliniek van 7 november 2006 over het klinische beloop van de operatie levert volgens de bezwaarverzekeringsarts geen nieuwe medische gegevens op ten aanzien van de belastbaarheid van appellant op de datum in geding, 5 september 2005. De Raad ziet daarnaast geen aanleiding om aan te nemen dat de (bezwaar)verzekeringsarts geen juist beeld heeft gehad van aard en zwaarte van het werk van appellant. Zowel door een arbeidsdeskundige in een voorgaande procedure als door een bezwaararbeidsdeskundige is bij de werkgever navraag gedaan naar de taken van appellant. Daaruit blijkt dat appellant vanwege zijn rugklachten alleen werkzaamheden behoefde te verrichten die niet rugbelastend waren. De Raad ziet geen grond deze rapportages voor onjuist te houden. De Raad is dan ook van oordeel dat appellant op goede gronden op de datum in geding, ondanks zijn degeneratieve afwijkingen, in staat is geacht tot het verrichten van zijn (rugsparende) arbeid en ziet geen aanleiding om een deskundige te benoemen.
6.5. Hetgeen in 6.4. is overwogen leidt tot de slotsom dat de rechtbank het beroep van appellant, gericht tegen de beëindiging van de uitkering ingevolge de ZW per 5 september 2005, terecht ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar.
De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 september 2008.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
RB