ECLI:NL:CRVB:2008:BF0397
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering teveel betaalde WAO-, ZW- en WW-uitkeringen wegens niet opgegeven inkomsten uit arbeid
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij in de periode van 9 juni tot en met 25 augustus 2000 geen werkzaamheden had verricht en geen inkomsten had genoten. De Raad overwoog dat het UWV op basis van een rapport werknemersfraude, verklaringen van de directeur van de betrokken onderneming, een collega-werknemer en een werknemer van het bedrijf aannemelijk had gemaakt dat appellant wel degelijk metsel- en timmerwerkzaamheden had verricht en daarvoor inkomsten had ontvangen.
De Raad stelde vast dat het UWV de inkomsten had vastgesteld op basis van facturen en dat appellant geen concrete tegenbewijs had geleverd om deze bedragen te betwisten. Ook het betoog van appellant dat hij wegens een val van de trap arbeidsongeschikt zou zijn geweest, werd niet ondersteund door medische verklaringen en kon de feiten niet weerleggen.
Gelet op deze feiten en omstandigheden was het UWV terecht overgegaan tot het stopzetten van de WAO-uitkering over bepaalde perioden en het intrekken van de ZW- en WW-uitkeringen, gevolgd door terugvordering van de onverschuldigd betaalde bedragen. De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank Breda en verklaarde het hoger beroep ongegrond voor zover aangevochten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de terugvordering van teveel betaalde uitkeringen terecht is.