ECLI:NL:CRVB:2008:BF0395

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-7021 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om haar een WAO-uitkering toe te kennen omdat zij volgens het UWV minder dan 15% arbeidsongeschikt was per 22 september 2004. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij wel beperkingen had aan haar linkerarm en dat een onafhankelijke deskundige benoemd had moeten worden.

De Raad overwoog dat het UWV in hoger beroep een uitgebreide rapportage overlegd had waarin de arbeidsongeschiktheid zorgvuldig was gemotiveerd. De beperkingen waren volgens de rapportage niet zodanig dat de belastbaarheid werd overschreden. De Raad stelde vast dat het besluit in strijd was met de Awb omdat de motivering pas in hoger beroep was gegeven en vernietigde het bestreden besluit.

Desondanks liet de Raad de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat de inhoudelijke beoordeling van de arbeidsongeschiktheid voldoende was onderbouwd. De Raad wees ook de proceskosten toe aan appellante en bepaalde dat het griffierecht werd vergoed.

De Raad oordeelde dat de medische beperkingen van appellante op de datum in geding juist waren vastgesteld en dat geen reden bestond een deskundige te benoemen. Medische stukken van artsen ondersteunden dit oordeel, en een latere verergering was niet relevant voor de beoordeling op de datum van 22 september 2004.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot weigering van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

05/7021 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 31 oktober 2005, 05/832 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.J.P.M. Snoeren, advocaat te Etten-Leur, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2007, waar appellante niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.
Het geding is opnieuw ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 30 juli 2008, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 17 september 2004 heeft het Uwv geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat zij na afloop van de wachttijd op 22 september 2004 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
1.2. Namens appellante heeft mr. Snoeren tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 21 februari 2005 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 februari 2005 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat uit de door haar in de bezwaar- en beroepsfase overgelegde medische verklaringen kan worden afgeleid dat zij, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, wel degelijk beperkingen had aan haar linkerarm ten tijde van de datum in geding. Daarnaast stelt appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten een deskundige te benoemen om een onafhankelijk oordeel te krijgen over haar medische beperkingen.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. Met de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank heeft gehanteerd, is de Raad van oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat de medische beperkingen van appellante onzorgvuldig dan wel onjuist zijn vastgesteld. De Raad overweegt in aanvulling daarop dat de bezwaarverzekeringsarts L. Greveling in de rapportage van
31 januari 2005 overtuigend heeft gemotiveerd dat met de beperkingen zoals aangegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) al voldoende rekening is gehouden met de klachten van appellante aan de linker elleboog. Daarbij heeft de bezwaarverzekeringsarts betrokken dat bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 29 juli 2004 niet bleek van afwijkingen of beperkingen aan de linker elleboog. Verder heeft de bezwaarverzekeringsarts rekening gehouden met de informatie van de huisarts en de behandelend orthopedisch chirurg J.J.M. Ogink. In die informatie is geen aanknopingspunt te vinden om aan te nemen dat appellante meer of anders beperkt was dan is vastgesteld. Uit de brief van Ogink van 29 oktober 2004 komt naar voren dat bij onderzoek op 15 oktober 2004 een normale elleboogsfunctie werd vastgesteld. Ook in de brief van de behandelend orthopedisch chirurg J.H.J.M. Bessems van 22 februari 2005 wordt gesproken over een volledige functie van beide ellebogen. Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd ter ondersteuning van haar standpunt dat zij medisch meer beperkt moet worden geacht. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat een eventuele verergering van de elleboogklachten in de loop van 2005 niet van belang is, omdat het in deze zaak gaat om een beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid op de datum in geding, 22 september 2004.
Gelet op het voorgaande kan appellante niet worden gevolgd in haar stelling dat de rechtbank een deskundige had moeten benoemen. Ook de Raad ziet geen reden daartoe over te gaan.
4.2. In hoger beroep heeft het Uwv een rapportage overgelegd van de bezwaararbeidsdeskundige van 31 maart 2008. In die rapportage zijn de aan de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid ten grondslag gelegde functies besproken en zijn alle in die functies voorkomende signaleringen van een toelichting voorzien. De Raad is van oordeel dat in genoemde rapportage voldoende is gemotiveerd dat de belasting in de functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt. Uitgaande daarvan is de mate van arbeidsongeschiktheid terecht vastgesteld op minder dan 15% en is terecht aan appellante per 22 september 2004 een WAO-uitkering geweigerd.
4.3. Nu de onder 4.2 genoemde motivering pas in hoger beroep is gegeven, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand is gekomen. De Raad ziet hierin aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen, het beroep tegen bestreden besluit gegrond te verklaren en dat besluit te vernietigen. Hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is overwogen, brengt de Raad tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand kunnen worden gelaten.
5. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot
€ 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 144,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.F. Bandringa en P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 september 2008.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) W.R. de Vries.
TM