ECLI:NL:CRVB:2008:BE9652

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2528 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.S.E. Wulffraat-van Dijk
  • M.C.M. van Laar
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWAlgemene wet bestuursrecht Art. 8:75
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld na herstelverklaring ondanks psychische en lichamelijke klachten

Appellante stelde beroep in tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat zij per 12 september 2005 niet langer wegens ziekte ongeschikt was voor haar arbeid en daarom geen recht meer had op ziekengeld. De rechtbank had dit beroep ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.

De Raad overwoog dat de maatstaf voor de arbeid die appellante geacht werd te kunnen verrichten, gebaseerd moest zijn op de functies die in het kader van de WAO-beoordeling voor haar geschikt waren bevonden. Appellante had tijdens het eerste ziektejaar weliswaar arbeidstherapeutische werkzaamheden verricht, maar dit was een mislukte werkhervatting. De Raad verwierp het verweer dat deze functies ongeldig waren geworden na het aanvechten van haar arbeidsgehandicaptenstatus.

Medisch onderzoek door verzekeringsartsen hield rekening met zowel psychische beperkingen als lichamelijke klachten, waaronder gewrichtsklachten en hypertensie. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en juistheid van deze medische beoordeling en zag geen reden om een onafhankelijke deskundige te raadplegen. Het verzoek van appellante om een werkloosheidsuitkering viel buiten het bestreden besluit en werd niet behandeld.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarmee het beroep van appellante werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld per 12 september 2005 wordt bevestigd.

Uitspraak

06/2528 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 april 2006, 05/5620 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 augustus 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2008. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
1.2. Bij besluit van 14 september 2005 heeft het Uwv appellante bericht dat zij op en na 12 september 2005 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid en dat zij daarom met ingang van die datum geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 20 oktober 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de beëindiging van het ziekengeld met ingang van 12 september 2005 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. De Raad overweegt als volgt.
3.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van Pro de ZW verstaan gangbare arbeid, zoals nader geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in de vorm van een aantal geselecteerde functies. Daarbij is het voldoende indien de hersteldverklaring betrekking heeft op ten minste één van de geselecteerde functies.
3.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat voor appellante op de datum in geding, 12 september 2005, de in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies als maatstaf dienen te gelden. De stelling van appellante dat deze functies ongeldig werden toen zij met succes de status van arbeidsgehandicapte had aangevochten, gaat niet op. Het besluit waarbij is geweigerd haar een WAO-uitkering toe te kennen omdat zij bij het einde van de wachttijd van 52 weken op 28 september 2003 in staat werd geacht een aantal voor haar geselecteerde functies te verrichten, is immers in stand gebleven. Voorts is zij weliswaar tijdens het eerste ziektejaar in juli 2003 bij haar werkgever aangepaste werkzaamheden gaan verrichten, maar daarbij ging het om werk op arbeidstherapeutische basis gedurende een beperkt aantal uren per week. Voordat zij volledig zou hervatten is zij weer uitgevallen. De Raad kan zich dan ook verenigen met het standpunt van het Uwv dat hier sprake was van een mislukte werkhervatting en verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 12 januari 2005 (LJN: AS3979). De in het kader van de WAO-beoordeling voor appellante geschikt geachte functies zijn dus op de datum in geding de maatstaf arbeid in de zin van de ZW gebleven.
3.3. De Raad kan zich voorts verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het Uwv op goede gronden en na een zorgvuldig medisch onderzoek heeft kunnen oordelen dat appellante per 12 september 2005 niet langer ongeschikt was voor haar arbeid. De Raad kan appellante niet volgen in haar stelling dat de verzekeringsartsen onvoldoende aandacht hebben besteed aan haar psychische gesteldheid. Bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellante in het kader van de WAO-schatting heeft de verzekeringsarts rekening gehouden met psychische beperkingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft ten aanzien van de beoordeling door de Ziektewetarts overwogen dat deze zorgvuldig te werk is gegaan in zijn beoordeling, ook ten aanzien van de psychische klachten. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts in de beroepsfase een reactie gegeven op het rapport van ENSIS Psychosociale Zorg te Rotterdam van 10 november 2005 dat appellante in beroep heeft overgelegd. De Raad ziet geen grond voor twijfel aan de juistheid van de beoordeling van de psychische klachten van appellante op de datum in geding. Ook de lichamelijke klachten van appellante zijn naar het oordeel van de Raad voldoende in de beoordeling betrokken. De Ziektewetarts heeft diverse gewrichten onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts heeft de gewrichtsklachten in zijn rapport van 13 oktober 2005 in de beschouwing betrokken en is ook in zijn rapport van 23 december 2005 ingegaan op deze klachten en de klacht van hypertensie. De Raad ziet geen grond de conclusie dat appellante op de datum hier in geding niet meer beperkingen had dan ten tijde van de WAO-beoordeling voor onjuist te houden. De Raad concludeert dat aan het bestreden besluit een toereikende medische beoordeling ten grondslag ligt en ziet geen aanleiding gevolg te geven aan het verzoek van appellante om een onafhankelijke medisch deskundige te raadplegen. Hetgeen appellante in het hoger beroepschrift heeft opgemerkt over haar recht op een werkloosheidsuitkering valt buiten de omvang van dit geding, zodat de Raad dit verder onbesproken zal laten.
3.4. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2008.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) E.M. de Bree.
IJ