ECLI:NL:CRVB:2008:BE9362
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Weigering toekenning Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid rond 17e/18e jaar
Appellant, geboren in 1960, heeft na het behalen van zijn Havo-diploma en het vervullen van militaire dienstplicht diverse functies uitgeoefend. Hij ontving enige tijd een WAO-uitkering wegens rug- en psychische klachten, maar deze werd in 1997 ingetrokken omdat hij niet langer arbeidsongeschikt werd geacht. In 2005 vroeg appellant een Wajong-uitkering aan, stellende dat hij vanaf zijn geboorte arbeidsongeschikt was.
Het Uwv wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit, waarbij zij zwaar tilde aan het rapport van verzekeringsarts Dittrich uit 2005. De Centrale Raad van Beroep sluit zich hierbij aan en oordeelt dat appellant rond zijn 17e/18e jaar niet zodanige beperkingen had dat hij langdurig ongeschikt was voor passende arbeid.
De Raad vindt het rapport van psychiater Groot uit 2006 onvoldoende overtuigend, omdat het niet goed verenigbaar is met eerdere medische gegevens en het functioneren van appellant na militaire dienst. Ook het feit dat appellant in 1981 ongeschikt werd bevonden voor militaire dienst en daarna slechts kortstondige dienstbetrekkingen had, vormt geen bewijs voor arbeidsongeschiktheid in 1977.
De Raad bevestigt het bestreden besluit en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 27 augustus 2008.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid rond het 17e/18e levensjaar.