ECLI:NL:CRVB:2008:BE9362

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-587 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
  • M.C.M. van Laar
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering toekenning Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid rond 17e/18e jaar

Appellant, geboren in 1960, heeft na het behalen van zijn Havo-diploma en het vervullen van militaire dienstplicht diverse functies uitgeoefend. Hij ontving enige tijd een WAO-uitkering wegens rug- en psychische klachten, maar deze werd in 1997 ingetrokken omdat hij niet langer arbeidsongeschikt werd geacht. In 2005 vroeg appellant een Wajong-uitkering aan, stellende dat hij vanaf zijn geboorte arbeidsongeschikt was.

Het Uwv wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit, waarbij zij zwaar tilde aan het rapport van verzekeringsarts Dittrich uit 2005. De Centrale Raad van Beroep sluit zich hierbij aan en oordeelt dat appellant rond zijn 17e/18e jaar niet zodanige beperkingen had dat hij langdurig ongeschikt was voor passende arbeid.

De Raad vindt het rapport van psychiater Groot uit 2006 onvoldoende overtuigend, omdat het niet goed verenigbaar is met eerdere medische gegevens en het functioneren van appellant na militaire dienst. Ook het feit dat appellant in 1981 ongeschikt werd bevonden voor militaire dienst en daarna slechts kortstondige dienstbetrekkingen had, vormt geen bewijs voor arbeidsongeschiktheid in 1977.

De Raad bevestigt het bestreden besluit en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 27 augustus 2008.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid rond het 17e/18e levensjaar.

Uitspraak

07/587 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 21 december 2006, 06/1498 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 augustus 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2008.
Appellant is met bericht van verhindering niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, geboren [in] 1960, is na in 1980 het Havo-diploma te hebben behaald en vervolgens in 1980/1981 een aantal maanden militaire dienstplicht te hebben vervuld, in diverse functies, onder meer als (taxi)chauffeur, douanebeambte en conciërge werkzaam geweest. Hij heeft enige tijd in verband met rugklachten en psychische klachten een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, welke uitkering met ingang van 1 november 1997 is ingetrokken, omdat hij niet langer arbeidsongeschikt werd geacht.
1.2. Latere meldingen van arbeidsongeschiktheid hebben niet geleid tot toekenning van een WAO-uitkering.
1.3. Appellant heeft op 29 september 2005 bij het Uwv een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Hij heeft daarbij aangegeven dat het hem toen pas duidelijk was dat hij vanaf zijn geboorte arbeidsongeschikt was.
2. Bij besluit van 2 december 2005 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat aan hem geen uitkering ingevolge de Wajong werd toegekend.
3. Bij besluit van 18 juli 2006 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 2 december 2005 ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij in het bijzonder betekenis toegekend aan het door verzekeringsarts O.H.C.M. Dittrich op 14 november 2005 uitgebrachte rapport.
5.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en heeft het volgende overwogen.
5.2. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat voornoemde verzekeringsarts onderbouwd heeft aangegeven dat appellant rond zijn 17e/18e levensjaar niet zodanige beperkingen had, dat hij langdurig ongeschikt dient te worden geacht tot het verrichten van passende arbeid. Met name de toestand van appellants rug en zijn arbeidsverleden, zoals blijkend uit de beschikbare medische en andere gegevens, geven steun aan deze conclusie, terwijl ook de psychische klachten niet hebben geleid tot een duurzame toestand van arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts heeft naar het oordeel van de Raad terecht opgemerkt dat appellants fysieke en psychische conditie in de loop der jaren eerder een toename dan een afname van beperkingen te zien zou geven, en dat nu appellant bij herhaling in staat is geacht om (rugsparende) arbeid te verrichten, de conclusie is gerechtvaardigd dat hij daartoe ook rond zijn 17e/18e jaar in staat was. Onder deze omstandigheden acht de Raad het niet onzorgvuldig dat van de zijde van het Uwv appellants beperkingen rond zijn 17e/18e jaar niet expliciet in beeld zijn gebracht.
5.3. De Raad ziet in hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd geen reden om aan de conclusie van voornoemde verzekeringsarts te twijfelen. Het in beroep overgelegde rapport van 10 november 2006 van psychiater A.M.A. Groot acht de Raad, in navolging van de rechtbank, in dit verband niet van voldoende betekenis. Uit het rapport van deze psychiater valt af te leiden dat appellant eerst nadat hij uit militaire dienst was ontslagen niet meer goed heeft kunnen functioneren. Het standpunt van deze psychiater dat de door hem geconstateerde dysthymie appellant al voor zijn 18e jaar zo ernstig beperkte in zijn functioneren dat hij niet met arbeid was te belasten, is hiermee niet goed verenigbaar. Verder is dat standpunt ook niet met onderzoeksbevindingen dan wel medische gegevens uit het verleden onderbouwd.
5.4. De omstandigheid dat appellant in juli 1981 ongeschikt werd geacht voor het vervullen van de militaire dienst en nadien slechts kortstondige dienstbetrekkingen heeft vervuld vormt evenmin een bewijs voor zijn stelling dat hij in 1977 arbeidsongeschikt was.
6. Uit het hierover onder 5.2 tot en met 5.4 overwogene volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
7. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2008.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) E.M. de Bree.
JL