ECLI:NL:CRVB:2008:BE9182
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Correcties premiebetaling bij uitzendkrachten met late betaling vakantiedagen en vakantiebijslag
De zaak betreft premiecorrecties opgelegd door het UWV aan appellante over de jaren 2000 tot en met 2003, gerelateerd aan de uitbetaling van niet opgenomen vakantiedagen en reserveringen voor vakantiebijslag van uitzendkrachten die hun werkzaamheden in de laatste weken van het jaar feitelijk beëindigden, terwijl betaling pas in het daaropvolgende jaar plaatsvond.
Het geschil draait om de vraag of deze bedragen in het jaar van feitelijke beëindiging als loon vorderbaar en inbaar zijn geworden, en dus in dat jaar moeten worden verantwoord voor premiedoeleinden. Het UWV stelde dat de feitelijke beëindiging van de werkzaamheden als een tussentijdse opzegging moet worden gezien, waardoor de reserveringen vorderbaar zijn geworden.
De Raad oordeelt dat het niet duidelijk is of de uitzendovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd, aangezien de CAO vereist dat tussentijdse beëindiging tijdig wordt gemeld. Hierdoor ontbreekt een voldoende draagkrachtige motivering in het besluit van het UWV. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, het beroep gegrond verklaard, en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van het UWV vernietigd en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen.