ECLI:NL:CRVB:2008:BE9181
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit premiecorrecties wegens onduidelijkheid over opzegging uitzendovereenkomst
Appellante kreeg premiecorrecties en boetes opgelegd door het UWV voor de jaren 2000-2003, verband houdend met de uitbetaling van niet opgenomen vakantiedagen en vakantiebijslag van uitzendkrachten die hun werkzaamheden in de laatste weken van het jaar feitelijk beëindigden, terwijl betaling pas in het volgende jaar plaatsvond.
Het UWV stelde dat deze bedragen als loon in het jaar van beëindiging moesten worden verantwoord omdat zij toen vorderbaar en inbaar waren geworden, en dat de feitelijke beëindiging van de werkzaamheden als een tussentijdse opzegging moest worden aangemerkt. De Raad oordeelde echter dat onduidelijk was of de uitzendovereenkomst rechtsgeldig was opgezegd, aangezien de CAO voorschrijft dat een opzegging tijdig moet worden gemeld.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd was en in strijd met het motiveringsbeginsel van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom vernietigde de Raad het besluit, verklaarde het beroep gegrond en beval het UWV een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering over de opzegging van de uitzendovereenkomst en het UWV moet een nieuw besluit nemen.