ECLI:NL:CRVB:2008:BE9172
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Correcties premiebetaling vakantiedagen uitzendkrachten bij feitelijke beëindiging werkzaamheden
Appellante, een uitzendbureau, kreeg van het UWV premiecorrecties opgelegd over de jaren 2000 tot en met 2003 vanwege uitbetaling van niet opgenomen vakantiedagen en vakantiebijslag aan uitzendkrachten die hun werkzaamheden feitelijk beëindigden in de laatste weken van het jaar, maar de betaling vond pas het volgende jaar plaats.
Het geschil draaide om de vraag of deze bedragen in het jaar van feitelijke beëindiging als loon vorderbaar en inbaar waren, wat bepalend is voor de premieheffing. Het UWV stelde dat de feitelijke beëindiging van de werkzaamheden gelijkstaat aan een tussentijdse opzegging van de uitzendovereenkomst, waardoor de vakantiebijslag in dat jaar moet worden verantwoord.
De Raad overwoog dat volgens de ABU-CAO en het Burgerlijk Wetboek een rechtsgeldige opzegging vereist is, waaronder een tijdige melding aan de uitzendonderneming. Omdat niet vaststond of een dergelijke melding had plaatsgevonden, ontbrak het aan voldoende motivering voor het standpunt van het UWV.
De Centrale Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen, met inachtneming van de motieven van deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.