ECLI:NL:CRVB:2008:BE9033
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Premiecorrecties voor vakantiedagen en vakantiebijslag bij beëindiging uitzendovereenkomst
De zaak betreft premiecorrecties en boetes opgelegd door het UWV aan appellante over de jaren 2000 tot en met 2003, gerelateerd aan de uitbetaling van niet opgenomen vakantiedagen en vakantiebijslag van uitzendkrachten die hun werkzaamheden in de laatste weken van het jaar feitelijk beëindigden, terwijl betaling pas in het volgende jaar plaatsvond.
Het geschil draait om de vraag of deze bedragen in het jaar van feitelijke beëindiging als loon vorderbaar waren en dus premieplichtig. Het UWV stelt dat de feitelijke beëindiging van werkzaamheden gelijkstaat aan een tussentijdse opzegging van de uitzendovereenkomst, waardoor de vakantiebijslag en vakantiedagen in dat jaar als loon moeten worden verantwoord.
De Raad oordeelt dat het niet duidelijk is of de uitzendovereenkomst daadwerkelijk is geëindigd bij de feitelijke beëindiging van werkzaamheden, mede omdat een tijdige melding van opzegging vereist is volgens de CAO. Hierdoor ontbreekt een voldoende draagkrachtige motivering voor het besluit van het UWV. De Raad vernietigt het bestreden besluit en beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen, waarbij ook de proceskosten van appellante worden vergoed.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.