ECLI:NL:CRVB:2008:BE8781
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek terugkomen op betalingsverplichtingen op grond van de WW
Werknemer heeft bij het UWV een aanvraag ingediend om de betalingsverplichtingen van zijn werkgever over te nemen op grond van hoofdstuk IV van de WW. Het UWV stelde bij besluit van 16 december 2002 de opzegtermijn vast op zes weken. Werknemer maakte hiertegen geen bezwaar, maar verzocht later op basis van een eerdere uitspraak van de Raad om een langere opzegtermijn toe te kennen.
Het UWV wees dit verzoek af omdat de eerdere uitspraak geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid vormde zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank verklaarde het beroep van werknemer ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel.
De Raad overweegt dat het enkele feit dat een rechterlijke uitspraak een eerdere besluitvorming onjuist verklaart, voor risico blijft van degene die in dat besluit heeft berust. Daarnaast is de aanspraak van werknemer geen duuraanspraak, en het verzoek om terug te komen op het besluit kan daarom terecht worden afgewezen. Ook de aangevoerde gronden over het gelijkheidsbeginsel en redelijkheid en billijkheid bieden geen aanleiding tot een ander oordeel.
De Raad ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 15 oktober 2007.
Uitkomst: Het verzoek van werknemer om terug te komen op het besluit over de opzegtermijn wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.