AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering Wajong-uitkering na herbeoordeling zonder nieuwe feiten
Appellant, geboren in 1979, diende in 2004 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering die door het UWV werd geweigerd omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht. Na een nieuwe aanvraag in 2005 weigerde het UWV terug te komen op het eerdere besluit. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat er nieuwe feiten waren, waaronder een diagnose autistische stoornis en een nadere verklaring van de werkgever. De Raad oordeelde dat deze stukken weliswaar nieuwe feiten bevatten, maar dat deze niet relevant waren voor de arbeidskundige beoordeling die ten grondslag lag aan de weigering.
De Raad benadrukte dat een bestuursorgaan een herhaalde aanvraag kan behandelen, maar dat de rechter zich bij een handhaving van het oorspronkelijke besluit moet beperken tot de vraag of er nieuwe feiten of omstandigheden zijn die herziening rechtvaardigen. Omdat dit niet het geval was, werd de weigering bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
Uitspraak
06/5983 Wajong
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 september 2006, 06/1133 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 augustus 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.A.E. Bol, werkzaam bij SRK rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2008. Namens appellant is verschenen [naam moeder], moeder van appellant, bijgestaan door mr. Bol. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, geboren [in] 1979, heeft van 1997 tot in 2000 gewerkt als algemeen medewerker bij een metaalspuiterij. In de periode 2000 tot 2002 heeft hij kortdurende banen gehad bij een supermarkt en bij de gemeentereiniging. Sedert 2002 is appellant werkzaam als inpakker in het kader van de WSW.
1.2. Op 11 oktober 2004 is namens appellant een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij besluit van 18 februari 2005 heeft het Uwv geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen op de grond dat hij met passende werkzaamheden zijn volledige verdiencapaciteit kon benutten en dus minder dan 25% arbeidsongeschikt was. Appellant heeft in deze weigering berust, zodat dit besluit onaantastbaar is geworden.
1.3. Op 1 augustus 2005 heeft appellant wederom een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend. Bij besluit van 2 september 2005 heeft het Uwv met toepassing van artikel 4:6 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geweigerd terug te komen van het besluit van 18 februari 2005. Bij besluit van 24 januari 2006 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 2 september 2005 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.
3. De Raad overweegt als volgt.
3.1. Op de hoorzitting in het kader van de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 2 september 2005 is gebleken dat appellant met de nieuwe aanvraag een herbeoordeling van de aanvraag van 11 oktober 2004 heeft beoogd.
3.2. De Raad stelt vast dat het besluit van 18 februari 2005 berust op een rapport van arbeidsdeskundige N. Schwarz, waarin deze concludeert dat appellant in de periode 1997 tot 2000 geschikt was voor de maatgevende arbeid van algemeen medewerker bij een metaalspuiterij, dat hij daarmee het wettelijke minimumloon kon verdienen en derhalve geen recht had op een Wajong-uitkering. Het Uwv heeft naar aanleiding van het bezwaar-schrift van appellant tegen het besluit van 2 september 2005 een nader arbeidskundig onderzoek laten verrichten, dat heeft geresulteerd in de rapportage van 20 januari 2006 van de bezwaararbeidsdeskundige B. Gulmans, waarin het standpunt van Schwarz wordt onderschreven.
3.3. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 vanPro de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.
3.4. Ter ondersteuning van zijn verzoek om herbeoordeling van de aanvraag is namens appellant aangevoerd, onder verwijzing naar een rapport van Wier Ambulant van 8 februari 2006, dat bij appellant de diagnose autistische stoornis is gesteld, terwijl ten tijde van de eerste aanvraag er slechts aanwijzingen waren voor een stoornis in het autistische spectrum. Voorts betwist appellant dat hij bij de metaalspuiterij goed heeft gefunctioneerd. Het Uwv is voor zijn oordeel alleen afgegaan op een telefonische verklaring van de werkgever. De werkgever heeft bij brief van 16 oktober 2006 verklaard dat appellant alleen in het simpelste werk en dan ook nog alleen met begeleiding en aansporing van collega’s heeft kunnen functioneren. Hij was snel afgeleid en kreeg altijd maar een opdracht tegelijk.
3.5. De Raad is van oordeel dat de schriftelijke verklaring van de werkgever en het rapport van Wier Ambulant op zichzelf nieuwe feiten zijn. Echter, naar het oordeel van de Raad bevatten deze stukken geen informatie die als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 vanPro de Awb kan worden aangemerkt. In dat verband overweegt de Raad dat gelet op de rapporten van Schwarz en Gulmans de weigering van de Wajong-uitkering berust op arbeidskundige gronden. In dat kader is de omstandigheid dat Wier Ambulant de diagnose autistische stoornis heeft gesteld niet relevant, omdat die diagnose er niet aan afdoet dat appellant niettegenstaande de bij hem aanwezige stoornis gedurende drie jaar zijn verdiencapaciteit volledig heeft benut en daarbij, naar ook blijkt uit de schriftelijke verklaring van de werkgever, weliswaar met extra begeleiding, naar tevredenheid heeft gefunctioneerd.
3.6. De conclusie is dan ook dat hetgeen namens appellant is aangevoerd niet kan worden aangemerkt als nova en derhalve niet kan leiden tot toekenning van een Wajong-uitkering. Dit betekent dat de rechtbank terecht het beroep ongegrond heeft verklaard en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. Naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken merkt de Raad, voor dit geding ten overvloede, nog op dat appellant gezien zijn arbeidsverleden, uitgaande van een latere eerste arbeidsongeschiktheidsdag, het Uwv kan verzoeken hem in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2008.