ECLI:NL:CRVB:2008:BE0063
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering, laatstelijk berekend op 80-100% arbeidsongeschiktheid, per 4 april 2005 in te trekken wegens een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het UWV-besluit. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij door persisterende pijnklachten opnieuw geopereerd moest worden en dat het UWV hem inmiddels weer volledig arbeidsongeschikt had verklaard.
De Raad stelde vast dat het geschil zich beperkte tot de situatie per 4 april 2005, los van de latere heropening van de uitkering na een ongeval in 2006. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek door het UWV zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen objectieve medische aanwijzingen waren dat de beperkingen van appellant onvoldoende waren erkend. De Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) was door verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts opgesteld en aangepast, waarbij de beperkingen adequaat waren vastgelegd.
De Raad concludeerde dat appellant met de aangenomen belastbaarheid in staat moest worden geacht de aan hem toegewezen functies te vervullen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 4 april 2005 wordt bevestigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.