ECLI:NL:CRVB:2008:BD9731
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante heeft een verzoek ingediend tot herziening van een eerder genomen besluit van het UWV waarbij een WAO-uitkering werd geweigerd. Zij stelde dat zij in juli 2003 in het ziekenhuis was opgenomen vanwege mogelijke stressgerelateerde symptomen van een herseninfarct. Het UWV en de verzekeringsartsen oordeelden dat deze omstandigheden geen nieuwe feiten of omstandigheden vormden die een herziening rechtvaardigden, mede omdat deze situatie zich na de datum van het oorspronkelijke besluit voordeed.
De bezwaarverzekeringsarts bevestigde het oordeel van de verzekeringsarts en het UWV wees het bezwaar van appellante af. De rechtbank toetste terughoudend en verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep deze beslissing, stellende dat het UWV bevoegd was het verzoek af te wijzen op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren gesteld.
De Raad nam tevens in aanmerking dat appellante ter zitting bevestigde dat na de ziekenhuisopname geen verdere behandeling had plaatsgevonden. Er was geen aanleiding om het besluit van het UWV onredelijk te achten. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot herziening van de WAO-uitkering wordt bevestigd.