ECLI:NL:CRVB:2008:BD9639
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande, maar het College stelde vast dat zij vanaf 3 januari 2005 samenwoonde met een ander persoon, [B.], met wie zij een gezamenlijke huishouding voerde. Na een huisbezoek op 8 juni 2005 trok het College de bijstand per die datum in en vorderde de ten onrechte ontvangen bijstand terug over de periode 8 juni tot en met 31 juli 2005.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad bevestigde dat appellante en [B.] hun hoofdverblijf deelden en zorg voor elkaar droegen, zoals gezamenlijk boodschappen doen, eten en zorgen voor elkaars huisdier. Een latere overeenkomst waarin [B.] een maandelijkse bijdrage betaalde, werd niet als zakelijke kostgangersrelatie gezien.
De Raad oordeelde dat appellante haar inlichtingenplicht schond door het niet melden van de gezamenlijke huishouding, waardoor zij ten onrechte bijstand ontving. Het College was bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het beleid van het College om bij terugvordering af te zien bij dringende redenen werd niet betwist. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.