ECLI:NL:CRVB:2008:BD9585
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO- en Ziektewetuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was aanvankelijk arbeidsongeschikt verklaard met een WAO-uitkering van 80 tot 100%, maar na herbeoordeling door het UWV werd haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 15%, wat leidde tot intrekking van haar WAO-uitkering per 29 december 2004. Appellante startte een herberg en meldde zich later ziek vanuit een WW-uitkering, waarna zij een Ziektewetuitkering ontving. Na medisch onderzoek en bezwaarprocedures verklaarden rechtbanken en de Raad het UWV-besluit juist en onderbouwd.
De Raad baseert zich op medische rapporten van bezwaarverzekeringsartsen die de beperkingen van appellante niet onderschat achten en de psychische klachten, waaronder agorafobie, voldoende zijn meegewogen. Verzoeken tot nader psychiatrisch onderzoek werden afgewezen wegens gebrek aan meerwaarde. De Raad ziet geen reden om de eerdere uitspraken te herzien en bevestigt de intrekking van de uitkeringen.
De procedure kende meerdere fasen, waaronder bezwaar, beroep bij de rechtbank Rotterdam en hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Zowel de WAO- als Ziektewetuitkering werden ingetrokken omdat appellante volgens deskundigen in staat is tot arbeid met geringe beperkingen, waardoor haar arbeidsongeschiktheid onder de wettelijke grens van 15% ligt.
Uitkomst: De intrekking van de WAO- en Ziektewetuitkering van appellante wordt bevestigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.