ECLI:NL:CRVB:2008:BD9208
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing
Appellante, werkzaam als huishoudelijke hulp en in een escortbedrijf, werd sinds 2002 gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard en ontving een WAO-uitkering. Het UWV trok deze uitkering in november 2005 op grond van een medische beoordeling. De rechtbank Utrecht oordeelde dat het besluit van het UWV niet op een onjuiste medische grondslag berustte en dat de voorgelegde functies passend waren.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar ziekte onvoldoende serieus werd genomen en dat haar medische situatie haar ongeschikt maakte voor de voorgestelde functies. Zij overlegde diverse medische rapporten, die echter grotendeels betrekking hadden op haar situatie na de datum van het besluit. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat deze gegevens geen aanleiding gaven het eerdere standpunt te wijzigen.
Appellante stelde ook dat haar bronchiale klachten onvoldoende waren meegenomen, maar de Raad stelde vast dat deze klachten bij eerdere medische onderzoeken bekend waren en dat zij rookte, wat de klachten beïnvloedt. De Raad vond geen reden om aan te nemen dat de beperkingen door bronchiale klachten over het hoofd waren gezien.
De Raad oordeelde verder dat de weersomstandigheden geen belemmering vormden voor de werkzaamheden als parkeercontroleur of parkeerwachter, en bevestigde daarmee het eerdere oordeel van de rechtbank. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De intrekking van de WAO-uitkering blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd vanwege onvoldoende medische onderbouwing voor herziening.