ECLI:NL:CRVB:2008:BD9199
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering tijdens zwangerschap onvoldoende zorgvuldig
Appellante, die sinds 1998 arbeidsongeschikt was en een WAO-uitkering ontving, kreeg deze uitkering per 22 december 2004 ingetrokken vanwege een vermeende arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Kort na de intrekking beviel zij van een zoon na een voldragen zwangerschap. De bezwaarverzekeringsarts erkende dat de intrekking kort voor het zwangerschapsverlof plaatsvond, maar vond geen reden de intrekking te herzien. Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat haar klachten door de zwangerschap waren toegenomen.
De Raad stelde vast dat de bezwaarverzekeringsarts onjuist had aangenomen dat appellante aanspraak kon maken op een Wazo-uitkering, aangezien dit was geweigerd. Verder overwoog de Raad dat klachten die tijdens een zwangerschap optreden, ook al zijn ze fysiologisch, wel degelijk reëel zijn en bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling betrokken moeten worden. Het Uwv had bovendien verklaard dat zwangere vrouwen sinds januari 2006 niet worden herkeurd tot tien weken na de bevalling.
Gezien deze omstandigheden oordeelde de Raad dat de intrekking van de WAO-uitkering onvoldoende zorgvuldig was gebeurd en in strijd was met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom werd het besluit vernietigd en werd het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante per 22 december 2004 is vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldigheid.