ECLI:NL:CRVB:2008:BD9197
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging voorschot WAO wegens onvoldoende beoordeling medische situatie
Appellante meldde zich op 12 september 2002 ziek met psychische klachten. Het UWV kende haar vanaf 1 maart 2004 een voorschot op WAO-uitkering toe, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidsklasse van 80-100%. Later, op 6 oktober 2004, stelde het UWV haar WAO-uitkering definitief vast op 55-65% en beëindigde de voorschotbetaling per 1 november 2004. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, met name omdat zij meende dat een nieuwe uitval per 7 januari 2004 niet was meegenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het UWV de voorschotverlening terecht had beëindigd en dat de nieuwe ziekmelding in een aparte procedure zou worden beoordeeld. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten en stelde dat het UWV niet duidelijk had gemaakt dat zij geen recht meer had op het voorschot.
De Raad stelde vast dat het UWV bij het besluit tot beëindiging van de voorschotverlening niet had beoordeeld of de medische situatie vanaf 7 januari 2004 aanleiding gaf tot voortzetting van het voorschot. Deze nalatigheid maakte het besluit onvoldoende zorgvuldig en niet deugdelijk gemotiveerd. Daarom vernietigde de Raad het besluit en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de voorschotverlening wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen.