ECLI:NL:CRVB:2008:BD9196
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering werkbelasting zonder onregelmatige diensten
Appellant ontvangt sinds 1992 een WAO-uitkering wegens psychische klachten. Het UWV heeft deze uitkering op 11 maart 2005 ingetrokken omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep. Hij stelde dat zijn beperkingen werden onderschat en dat hij niet geschikt is voor de voor hem geduide functies, mede omdat deze wisselende diensten vereisen terwijl hij daarop niet is aangewezen.
In hoger beroep heeft het UWV de selectie van geschikte functies aangepast en nader gemotiveerd dat de belasting binnen de belastbaarheid van appellant valt. Echter bleek uit de arbeidsmogelijkhedenlijst dat vrijwel alle functies onder bepaalde SBC-codes in wisselende diensten worden verricht. Rapportages van artsen en arbeidsdeskundigen gaven aan dat appellant is aangewezen op werk zonder onregelmatige diensten, maar het UWV had niet duidelijk gemaakt dat hiermee rekening was gehouden.
De Raad concludeert dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd dat appellant de betreffende functies kan verrichten. Hierdoor is het besluit van 30 september 2005 niet deugdelijk gemotiveerd en strijdig met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De Raad vernietigt het besluit en verklaart het beroep gegrond. Het UWV moet een nieuw besluit nemen waarbij deze overwegingen worden betrokken.
De medische beoordeling van het UWV wordt onderschreven; er zijn geen aanwijzingen dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. De Raad veroordeelt het UWV in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak.