ECLI:NL:CRVB:2008:BD8784
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering arbeidskundige grondslag
Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking van haar WAO-uitkering door het UWV, omdat haar arbeidsongeschiktheid volgens het UWV minder dan 15% bedroeg. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom de functies waarop de schatting was gebaseerd passend waren, mede vanwege haar beperkte beheersing van de Nederlandse taal.
De Centrale Raad oordeelde dat het UWV pas in hoger beroep een uitputtende toelichting gaf, waardoor niet aan de motiveringseisen werd voldaan. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. De Raad stelde echter dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Verder verwierp de Raad het verweer van appellante over haar taalbeheersing, omdat de functies slechts een zeer basaal niveau van lezen en schrijven vereisen. Tot slot veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.