ECLI:NL:CRVB:2008:BD8763
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante stelde hoger beroep in tegen de intrekking van haar WAO-uitkering, omdat het UWV had vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. De rechtbank had het besluit van het UWV bevestigd, waarbij was geoordeeld dat de medische en arbeidskundige grondslag toereikend was en dat appellante de aangeduide functies kon verrichten.
Appellante voerde aan dat haar psychische toestand onveranderd was en dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening hadden gehouden met haar psychische problemen. Zij stelde zich opnieuw onder behandeling bij een geestelijke gezondheidszorginstelling.
De Raad overwoog dat de psychische toestand van appellante adequaat was meegewogen, mede op basis van onderzoeken door verzekeringsartsen en informatie van haar huisarts en psychiater. Er waren geen medische gegevens overgelegd die een zwaardere beperking rechtvaardigden. De Raad vond geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te wijzigen en bevestigde de intrekking van de WAO-uitkering.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.