ECLI:NL:CRVB:2008:BD8492
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schorsing WAO-uitkering wegens gegrond vermoeden onrechtmatigheid
Appellant, die een WAO-uitkering ontving, werd geconfronteerd met een schorsingsbesluit van het UWV per 1 oktober 2004 op basis van een rapport van de Nederlandse ambassade in Turkije. Dit rapport toonde aan dat appellant mede-eigenaar was van een benzinestation en daarmee mogelijk inkomsten genoot, wat niet was gemeld aan het UWV.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de schorsing ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overwoog dat het UWV op grond van duidelijke aanwijzingen en het gegronde vermoeden dat appellant geen recht had op de uitkering, de schorsing terecht had toegepast.
Appellant voerde aan dat de schorsing onredelijk lang duurde en dat het UWV naliet het recht op uitkering vast te stellen binnen een redelijke termijn, maar dit betoog werd verworpen omdat in deze procedure alleen de rechtmatigheid van de schorsing per 1 oktober 2004 aan de orde was.
De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van de eerdere uitspraak en bevestigde de schorsing van de WAO-uitkering.
Uitkomst: De schorsing van de WAO-uitkering is rechtmatig en het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.