ECLI:NL:CRVB:2008:BD7454

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-3161 CSV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 22 Beroepswet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens niet-betaald griffierecht ongegrond verklaard

Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet binnen de gestelde termijn betalen van het griffierecht van €428.

Namens appellante werd verzet aangetekend tegen deze niet-ontvankelijkverklaring, stellende dat er telefonisch contact was geweest met de griffie over een ontbrekende gecorrigeerde nota, die echter nooit was ontvangen.

De Raad oordeelde dat de juiste acceptgiro nota op 20 juni 2007 was verzonden en dat het niet ontvangen van deze nota geen beletsel vormde om het griffierecht te voldoen, mede gezien het rappel van 23 juli 2007 waarin duidelijk het bedrag, het gironummer en de betalingstermijn werden vermeld.

Er was geen bewijs van het beweerde telefonisch contact en advies om te wachten op een nieuwe nota. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en bleef de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep in stand.

Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet tijdige betaling van griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

07/3161 CSV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[Naam appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 april 2007, 06/1978 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Datum uitspraak: 10 juli 2008
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 15 oktober 2007 heeft de Raad het namens appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen voornoemde uitspraak heeft C. Rief, werkzaam bij V&R Accountancy te ’s-Hertogenbosch, namens appellante verzet gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2008, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door C. Rief. Het Uwv heeft zich met voorafgaand schriftelijk bericht niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 15 oktober 2007 berust hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel 22, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet verschuldigde griffierecht van € 428,-- niet binnen de bij de aangetekend verzonden brief van 23 juli 2007 gestelde termijn is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
In geding is de vraag of het hoger beroep van appellante terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
In het verzetschrift is namens appellante aangevoerd dat naar aanleiding van de bij aangetekend verzonden rappel griffierecht van 23 juli 2007 telefonisch contact is opgenomen met de griffie van de Raad aangezien nog geen gecorrigeerde nota was ontvangen en dat van de zijde van de Raad is geadviseerd te wachten op de nieuwe nota, welke appellante nimmer heeft ontvangen.
De Raad is van oordeel dat het verzet niet slaagt.
Nadat aan de gemachtigde van appellante in eerste instantie een onjuiste acceptgiro is toegezonden, is aan hem op 20 juni 2007 de juiste acceptgiro toegezonden, gevolgd door een aangetekend verzonden rappel van 23 juli 2007. De gemachtigde van appellante betwist met de stelling dat hij geen nieuwe nota heeft ontvangen de verzending van de nota van 20 juni 2007.
Anders dan de gemachtigde van appellante gaat de Raad er vanuit dat de nota van
20 juni 2007 op die dag is verzonden. Voorts is uit het dossier niet gebleken van een telefonisch contact met de Raad naar aanleiding van het op 23 juli 2007 aangetekend verzonden rappel griffierecht, waarin zou zijn geadviseerd te wachten op een nieuwe nota. Het niet in het bezit hebben van de nota vormde, gelet op de inhoud van de rappel van
23 juli 2007, waaruit duidelijk naar voren komt welk bedrag op welk gironummer en binnen welke termijn gestort dient te worden, naar het oordeel van de Raad geen beletsel om het verschuldigde griffierecht te betalen. De Raad heeft in hetgeen in het verzetschrift is aangevoerd, dan ook geen aanknopingspunten gevonden welke kunnen leiden tot de conclusie dat appellante het verzuim niet kan worden tegengeworpen.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2008.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A. Badermann.
IJ