ECLI:NL:CRVB:2008:BD7168
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering per 20 maart 2005 in te trekken, omdat haar arbeidsongeschiktheid volgens het UWV was gedaald tot onder de 15%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat appellante ondanks haar beperkingen geschikt is voor werkzaamheden die door een arbeidsdeskundige zijn geselecteerd, waarbij de loonwaarde van de middelste functie resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van slechts 5,34%. De Raad wijst ook het argument van appellante af dat een allergie voor vis zou moeten leiden tot het vervallen van een functie, omdat het gaat om werkzaamheden in een pluimveeslachterij en de allergie niet eerder was gemeld.
De Raad ziet geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.