ECLI:NL:CRVB:2008:BD6616
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs blootstelling oorlogsgeweld tijdens Bersiap-periode
Appellante, geboren in 1946 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in 2000 een aanvraag in voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van prenatale spanning, welke werd afgewezen. In 2007 stelde zij een hernieuwde aanvraag in, gebaseerd op haar ervaringen tijdens de Bersiap-periode, ondersteund door een verklaring van haar oom.
Verweerster wees deze aanvraag af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die tot een ander besluit konden leiden en onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat appellante direct betrokken was bij oorlogsgeweld. De Raad oordeelde dat het verzoek uit 2007 een nieuwe aanvraag betrof en dat een volle toetsing noodzakelijk was.
De Raad concludeerde dat appellante geen bewuste herinneringen had en dat de verklaring van haar oom onvoldoende bevestiging bood van blootstelling aan oorlogsgeweld. Historische ongeregeldheden betekenen niet automatisch directe betrokkenheid. Omdat niet was vastgesteld dat appellante door oorlogsgeweld was getroffen, was een medisch onderzoek niet aangewezen.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het bestreden besluit. Tevens wees de Raad een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van haar aanvraag tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt bevestigd.