ECLI:NL:CRVB:2008:BD6503

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1713 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.M.A. van der Kolk-Severijns
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens niet tijdig aanvoeren gronden

Appellant maakte bezwaar tegen een terugvorderingsbesluit van het College van burgemeester en wethouders van Vlaardingen. Het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de gronden niet tijdig waren ingediend binnen de door het College gestelde termijn.

De Raad beoordeelde of de termijn voor het aanvoeren van de bezwaarschriften was aangevangen. De brief waarin de termijn werd gesteld, was volgens het postregistratiesysteem van de gemeente Vlaardingen correct verzonden en geadresseerd aan de postbus van het adviesbureau van appellant. Hoewel appellant stelde dat de postbus geblokkeerd was, oordeelde de Raad dat dit geen reden was om de termijn niet te laten aanvangen.

De Raad stelde dat het risico van het niet ontvangen van de brief bij appellant lag, aangezien het aan hem was om het College te informeren over de blokkade en een alternatief adres te verzoeken. Het hoger beroep faalde en de eerdere uitspraak werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wordt bevestigd.

Uitspraak

07/1713 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2007, 05/4261 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen (hierna: College).
Datum uitspraak: 8 juli 2008.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C. van der Boom, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. S.V. Hendriksen, kantoorgenoot van mr. Van der Boom. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Als door appellant opgeroepen getuige is gehoord [R.], verbonden aan het Administratie- en Juridisch Maatschappelijk Adviesbureau “De Schiemolen B.V.”, gevestigd te Rotterdam.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende nog van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 13 april 2005 heeft het College de over de periode van 1 juli 2004 tot 1 september 2004 bij wijze van voorschot in de vorm van een renteloze geldlening verleende bijstand tot een bedrag van € 3.650,-- van appellant teruggevorderd.
Namens appellant heeft [R.] voornoemd (hierna: [R.]) bij brief van 26 mei 2005 op nader aan te voeren gronden tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 10 augustus 2005 heeft het College het bezwaar met toepassing van artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat [R.] van de hem bij brief van 17 juni 2005 geboden gelegenheid om de gronden van het bezwaar voor 17 juli 2005 aan te voeren, geen gebruik heeft gemaakt.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 augustus 2005 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of Pro aan enig ander bij de wet gestelde vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Onder de gedingstukken bevindt zich een brief, gedateerd 17 juni 2005 en gericht aan [R.], waarin deze tot 17 juli 2005 de gelegenheid krijgt om de gronden van het bezwaar aan te voeren.
Naar het oordeel van de Raad is voor het doen aanvangen van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van Pro de Awb in de eerste plaats vereist dat de verzending van de brief waarbij de betrokkene in de gelegenheid wordt gesteld het verzuim te herstellen, vast staat dan wel voldoende aannemelijk is gemaakt. Daarbij geldt dat niet is uitgesloten dat ook langs andere weg dan die van aangetekende verzending kan worden aangetoond dan wel voldoende aannemelijk gemaakt dat verzending heeft plaatsgevonden.
Blijkens de stukken worden brieven door de gemeente Vlaardingen niet aangetekend verstuurd maar beschikt de gemeente wel over een postregistratiesysteem. Uitgaande brieven worden door middel van een postboek aangeboden aan de afdeling die voor verzending zorg draagt. De brieven krijgen een handgeschreven nummer, worden van een stempel met de datum van verzending voorzien, machinaal in een envelop gedaan en ter post aangeboden.
In het onderhavige geval is de brief waarbij [R.] in de gelegenheid is gesteld de gronden van het bezwaar aan te vullen, voorzien van een stempel met de datum 17 juni 2005 alsmede van een handgeschreven nummer. Nu voorts blijkt dat het desbetreffende poststuk aan de postbus van “De Schiemolen” is geadresseerd, wordt voldoende aannemelijk geacht dat de brief van 17 juni 2005 is verzonden, zodat aan het hoger vermelde vereiste is voldaan.
Van de zijde van appellant is aangevoerd dat [R.] de brief van 17 juni 2005 niettemin niet heeft ontvangen. Gesteld is - voor zover van belang - dat in en rond juni 2005 de postbus van “De Schiemolen” geblokkeerd is geweest wegens een verschil van mening tussen [R.] en het postkantoor over het abonnement op de postbus.
Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat dat geen omstandigheid is die maakt dat de termijn, gesteld in de brief van 17 juni 2005, niet is aangevangen en het niet reageren op die brief verschoonbaar doet zijn. De Raad is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden het niet ontvangen hebben van de brief van 17 juni 2005 voor rekening en risico van [R.] en dus van appellant komt. Het lag op de weg van [R.] om het College op de hoogte te stellen van het blokkeren van de postbus. Hij had het College kunnen en moeten verzoeken post voor hemzelf c.q.“De Schiemolen B.V.” te zenden aan het feitelijke adres van die vennootschap.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep faalt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten wordt geen aanleiding gezien.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2008.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) A. Badermann.
IJ